Bankjesproject – Oostenrijkse huisjes

Bankjesproject – Oostenrijkse huisjes

Powered by RedCircle

Welkom.
Ga even goed zitten op dit bankje. Voel de wind over het water. Hoor het riet ruisen langs de slootkant. Dit is Nieuwe Wetering — een klein, stil dorp aan het water, zoals er zo veel zijn in onze gemeente Kaag en Braassem.
En als je nu achteromkijkt… zie je ze staan.
Die lage, houten huisjes met hun karakteristieke gevels, rode dakpannen en bescheiden tuintjes. Ze horen zo vanzelfsprekend bij dit landschap dat je bijna vergeet hoe bijzonder hun verhaal is. Want deze huisjes kwamen niet uit de polder. Niet uit een Hollandse timmermanswerkplaats. Ze kwamen — letterlijk — uit Oostenrijk.
Dit is hun verhaal.

Nederland na de oorlog
Het is 1945. De Tweede Wereldoorlog is voorbij. Nederland is bevrijd, maar wat er rest is een land in puin — letterlijk en figuurlijk. Steden zijn gebombardeerd, bruggen opgeblazen, en honderdduizenden mensen hebben geen fatsoenlijk dak boven hun hoofd.
Ook in onze gemeente — toen nog de gemeente Alkemade — is de nood hoog. Burgemeester Hoijnck van Papendrecht slaat al jarenlang alarm bij de hogere overheid. Hij heeft het over honderdtwintig jonge echtparen die bij hun ouders moeten inwonen, omdat er simpelweg geen woningen zijn. Honderdtwintig jonge stellen, opgestapeld in te kleine huizen, zonder eigen plek om een gezin te stichten.
De rijksoverheid ziet het probleem, maar staat voor een vrijwel onmogelijke opgave. Er is een tekort aan geld. Een tekort aan bouwmaterialen. Een tekort aan geschoolde vaklieden. En een overmaat aan nood.
Er moet iets komen. Iets snels. Iets goedkoops. Iets wat werkt.
Het antwoord komt — van over de grens.

De bestelling in Wenen
Begin 1948 stuurt het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting een delegatie naar Wenen. In de hoofdstad van het eveneens verwoeste Oostenrijk heeft een bedrijf — Thermohaus G.m.b.H. — een oplossing bedacht. Prefab woningen. Houten elementen, vooraf gefabriceerd in een fabriek, en daarna per trein verscheept naar waar ze nodig zijn.
Het ministerie bestelt achthonderd van deze houten huizen. En dat zijn niet zomaar noodkrotten. Het zijn degelijke woningen — met isolatie, met slaapkamers, met een woonkamer en een keuken. Ze zijn bedoeld om een leven lang mee te gaan. Minimaal vijftig jaar, zo wordt geraamd.
Betaling? Die gaat deels in natura. Want in Oostenrijk heerst een schrijnend voedseltekort. Nederland betaalt met groenten, vis, aardappelen en kolen. En de rest in geld.
De achthonderd huizen worden verspreid over het land, het merendeel naar Brabant en Limburg. Maar Alkemade hoort aanvankelijk niet bij de gemeenten die zich aanmelden. De noodwoningen zijn namelijk primair bestemd voor gemeenten waar twintig procent van het woningbestand door oorlogshandelingen is verwoest. En in Alkemade zijn er maar weinig bommen gevallen.
Het lijkt erop dat onze gemeente buiten de boot valt.
Totdat Philips iets bijzonders doet.


Het Philips-verhaal

Maart 1949. Het Eindhovense Philips — dat op dat moment een van de grootste bedrijven van Nederland is — heeft zelf ook een groot woningtekort voor zijn werknemers. Het concern sluit een bijzondere deal met twee Oostenrijkse bedrijven: in ruil voor aardappelen en Philips-producten krijgt het concern maar liefst vierhonderd Oostenrijkse woningen.
Tweehonderdvijfentwintig van die huizen worden in Eindhoven zelf gebouwd. Maar dan blijven er honderdvijfenzeventig over — van het type ‘Zuiderzee’. En die worden te koop aangeboden aan andere gemeenten.
Burgemeester Hoijnck van Papendrecht heeft geluk. Door toevallige omstandigheden — hoe precies weten we niet — hoort hij van dit aanbod. Hij grijpt zijn kans. De gemeente Alkemade koopt zestig van die woningen.
In september 1949 reist het college af naar Eindhoven. Met de gemeentearchitect, twee raadsleden en een aannemer uit Nieuw-Vennep gaan ze kijken naar de huizen die daar al in aanbouw zijn. Ze zijn enthousiast. Meer dan enthousiast. Ze zijn — zo staat het letterlijk in de verslagen — van mening dat de woningen voldoen aan de hoogst te stellen eisen.
Op 29 september 1949 neemt de gemeenteraad het besluit: de zestig woningen worden gekocht.
En de eerste paal? Die gaat de grond in op 30 november 1949. Hier, in Nieuwe Wetering, voor de acht huizen die jij nu achter je ziet staan.

Van trein naar polder
Stel je het eens voor. Die prefab elementen worden in Wenen gemaakt, op treinen geladen, en per spoor naar Nederland gestuurd. In Leiden worden de treinwagons gelost. Van daaruit moest aannemer Jansen uit Nieuw-Vennep voor het vervoer zorgen naar de verschillende dorpen in de gemeente.
Hier in Nieuwe Wetering reden ze de huizen zo’n beetje de polderweg op.
De woningen worden niet los neergezet, zoals elders in Nederland wél gebeurt, maar in blokjes van twee, drie of vier huizen. Dat heeft alles te maken met brandveiligheid. Want houten woningen branden snel, en de gemeenten zijn verplicht de huizen ver genoeg uit elkaar te plaatsen zodat brand niet overslaat van het ene naar het andere huis.
Wist je trouwens dat er in sommige gemeenten vrouwen werden opgeleid als brandweervrouw? Huisvrouwen — want in die tijd werkten de meeste vrouwen niet buitenshuis — kregen een opleiding en een bordje op de gevel: Brandweer. In een kist in de voortuin lagen brandslangen klaar. Als er brand uitbrak, rolden de vrouwen de slangen uit en sloten ze aan op de brandkraan, voordat de brandweer er überhaupt was.
Of dit systeem ook in Alkemade werd gebruikt? Dat weten we niet. Wat we wél weten: er is nooit een grote brand geweest in een van onze Oostenrijkse huizen.

De verdeling over de dorpen
De zestig huizen worden verdeeld over de dorpen, naar verhouding van de woningnood:
Roelofarendsveen krijgt de meeste: zesendertig stuks. Kaag-eiland negen. Oud Ade zeven. En hier, in Nieuwe Wetering — acht.
Overal heeft de bouw zijn eigen bijzondere verhaal.
Op Kaag-eiland werden de prefab elementen niet per vrachtwagen aangeleverd, maar op dekschuiten, over de Kagerplassen. En voor het transport over land door de smalle straten werd zelfs een smal spoorlijntje aangelegd. Bij rioleringswerken in 2010 vonden arbeiders de fundering van de spoorrails nog terug in de grond — een stille herinnering aan een vergeten tijdperk.
In Oud Ade zorgde de bouw voor een onverwachte vertraging. Mevrouw Olijerhoek van de Kolk voorzag de bouwvakkers dagelijks van vers gekookte eieren. Zoals dat gaat: wie goed te eten krijgt, neemt de tijd. De planning liep wat uit.
En in Roelofarendsveen, waar de meeste huizen stonden, kregen de woningen al snel een bijnaam: de Rooie Buurt. Die naam slaat waarschijnlijk op de rode dakpannen en de roodachtige gevelbetimmering die de huizen aanvankelijk hadden.

Wonen in een Oostenrijks huis
Maar hoe was het eigenlijk — wonen in zo’n huis?
De aanvangshuur bedroeg zeven gulden en vijfentwintig cent per week, inclusief water. Omgerekend iets meer dan veertien euro in de week. In de beginjaren werd de huur nog opgehaald aan de deur, door een zekere meneer Van der Hoorn van de gemeente.
Bij het huurcontract hoorde een streng reglement. De woningen werden ‘bij de week’ verhuurd. En wie zich misdroeg — dronkenschap of ‘ander ergerlijk levensgedrag’ — kon per direct op straat worden gezet.
Maar de mensen die er woonden, hielden van hun huis. Meer dan van welke andere woning ook. Een groot deel van de bewoners woonde er dertig jaar of langer. In Roelofarendsveen zijn er zelfs twee bewoners geweest die er vanaf het allereerste begin — in 1950 — zijn blijven wonen. Tweeënzestig jaar lang, op de Berkenweg.
Een oud-bewoner van Nieuwe Wetering wist nog iets bijzonders te vertellen. Als er een harde wind stond, hoorde je een zacht geritselen uit de muren. Het klonk als muizen achter het behang. Maar het waren geen muizen. Het was het zilverpapier — een soort isolatiemateriaal — dat in de houten buitengevel was verwerkt, en dat meezong met de wind.

Renovatie en voortbestaan
De huizen waren gebouwd met een verwachte levensduur van vijftig jaar. In 1970 vond de eerste kleine renovatie plaats. In 1985 was het tijd voor een groter onderzoek: sloop, nieuwbouw, of renovatie?
De woningbouwvereniging koos voor renovatie — een levensduurverlengende ingreep. Daken en gevels werden vernieuwd, de isolatie verbeterd. Kosten: gemiddeld vijfenzeventigduizend gulden per woning. De werken werden uitgevoerd in 1989 en 1990.
De levensduur werd daarmee met vijfentwintig jaar verlengd.
Maar vijfentwintig jaar gaat snel voorbij.

Een beslissing die pijn doet
Want nu — in de jaren na die renovatie — staan sommige van deze huizen voor het einde.
In Oud Ade heeft de woningbouwvereniging besloten de levensduur van de zeven woningen in de Kolk niet opnieuw te verlengen. De woontechnische staat laat het niet meer toe. Er worden plannen gemaakt voor sloop en vervangende nieuwbouw.
Het is een beslissing die pijn doet — ook bij mensen die er zelf nooit gewoond hebben. Want deze huisjes zijn meer dan bakstenen en hout. Ze zijn een levend stukje naoorlogse geschiedenis. Ze vertellen het verhaal van een gemeente die creatief en daadkrachtig reageerde op een enorme nood. Van een burgemeester die zijn kans greep. Van arbeiders die prefab wanden in treinen laadden in Wenen. Van families die er opgroeiden, hun hele leven bleven, en er oud werden.
In Leeuwarden zijn vijfentwintig Oostenrijkse woningen al aangemerkt als gemeentelijk monument. Stichting Oud Alkemade heeft gepleit voor dezelfde bescherming hier — een status als ‘beschermd dorpsgezicht’, zodat ook toekomstige generaties kunnen zien wat hier ooit is gebouwd.
De huisjes in Oud Ade zijn al verdwenen en ook die in Roelofarendsveen lijken op de nominatie van sloop te staan door de woningbouwvereniging. En Nieuwe Wetering? Hun toekomst is nog onzeker.

Terug op het bankje
Je zit nog steeds op dit bankje. Het water van de sloot schuifelt langs de oever. Ergens in de verte kwaakt een eend.
En achter je staan ze: die kleine, houten huizen. Stiller dan ooit. Met hun rode daken en bescheiden tuintjes. Ze zijn niet groot. Ze zijn niet spectaculair. Maar ze hebben zeventig jaar lang mensen een thuis gegeven in deze polder.
Ze kwamen uit Oostenrijk, als antwoord op een nood die je je nauwelijks meer kunt voorstellen. Ze werden hier neergezet in de winter van 1949, terwijl de gemeente zichzelf de bouwvergunning pas anderhalf jaar later verleende. Ze werden betaald met aardappelen en Philips-lampen.
En ze staan er nog.
Kijk er nog één keer goed naar, voordat je verdergaat.
Want straks, straks zijn ze er misschien niet meer.