Bankjesproject – Anderhalve Eeuw Sint-Bavokerk in Oud Ade
Powered by RedCircle
Wie vanuit de verte over de polders rondom Oud Ade rijdt, ziet het al van ver: een slanke, spitse toren die omhoogprikt boven het vlakke weiland. Het is de Sint-Bavokerk. Ze staat er al anderhalve eeuw, als een baken in het polderlandschap. Voor de mensen van Oud Ade is ze geen gebouw — ze is een verhaal. En dat verhaal begint lang vóór de eerste steen werd gelegd.
Een kerk die niet zichtbaar mocht zijn
We gaan terug naar het jaar 1666. Nederland is dan een republiek, en die republiek heeft weinig op met het katholieke geloof. Er zijn geen bisdommen, geen bisschoppen, en de oude parochies zijn na de Reformatie grotendeels ten onder gegaan. Maar toch zijn er mensen die blijven geloven, en priesters die hen niet in de steek laten.
Een van die priesters is Antonius van de Plaet. Een geboren Leidenaar, die eerder in Roelofarendsveen werkte en zelfs een tijdje in Keulen. In 1666 vestigt hij zich definitief in Oud Ade. Hij huurt een eenvoudig huisje van een dorpsgenoot, en op de zolder van dat huisje richt hij een kleine kapel in. Dat is het begin van wat later de parochie van de Heilige Bavo zal worden.
Want vergis u niet: het is niet verboden om als katholiek je geloof te belijden. Maar het mag niet naar buiten toe zichtbaar zijn. Geen kerktorens, geen klokken, geen processies op straat. Wie dat toch doet, riskeert een boete van de ambachtsheer. Gelukkig voor Van de Plaet en zijn parochianen heeft Alkemade in die jaren een katholieke ambachtsheer. Die laat de mensen met rust. Dat is een gelukje — want in andere heerlijkheden, met een felle papenhater aan het hoofd, konden de boetes oplopen tot pijnlijke bedragen.
Van de Plaet bedient niet alleen Oud Ade, maar ook Rijpwetering, en zelfs de omliggende dorpen als Esselijkerwoude, Hoogmade en Leimuiden. Hij is in feite een missionaris — want dat is Nederland in die tijd: een missieland. Hij overlijdt in 1678, maar zijn werk gaat door. Bijna twee eeuwen lang blijven Oud Ade en Rijpwetering één geloofsgemeenschap.
Een naam, een heilige, een datum
Dan komen we bij het jaar 1846. De missionaris die Oud Ade en Rijpwetering al jaren bedient, gaat met emeritaat. En de mensen van Rijpwetering grijpen hun kans: ze willen een eigen priester, los van Oud Ade. Het verzoek wordt ingewilligd.
Per 1 oktober 1846 krijgt Oud Ade zijn eerste echte, zelfstandige pastoor: Wilhelmus Lambertus Mosmans. En die datum — 1 oktober — is toevallig ook de feestdag van de Heilige Bavo. Dat is precies de reden waarom de geloofsgemeenschap van Oud Ade zijn bescherming inroept van deze Brabantse heilige. De naam Sint-Bavo was daarvoor nooit gebruikt. Ze duikt pas op in het midden van de negentiende eeuw, als een toevallige maar mooie samenloop van omstandigheden.
In 1858 worden de staties officieel tot parochies verheven — zelfstandige delen van een bisdom, met een eigen pastoor, bestuur en kerk. De Heilige Bavo-parochie van Oud Ade is een feit.
Een pastoor met dadendrang

Mosmans pastoort zeventien jaar rustig in Oud Ade. En dan, in 1863, benoemt de bisschop van Haarlem een nieuwe man: Johannes Petrus Görtz. Hij is geboren in Medemblik, vijfendertig jaar oud, eerder kapelaan in Amsterdam en Den Haag. En van de eerste dag af is één ding duidelijk: deze man is niet van plan om rustig te tijd uit te zitten.
Al na twee jaar richt hij de parochiale school op. Hij spaart jaarlijks honderd gulden van zijn eigen bescheiden inkomen om in de schoolkas te storten. Zelfs nadat hij Oud Ade al verlaten heeft, stuurt hij nog vijfhonderd gulden ten bate van de school. Hij vraagt veel van zijn parochianen, maar hij ontziet zichzelf al even weinig.
Op de foto die van hem bewaard is gebleven, ziet u een vriendelijk gezicht, met lang krullend nekhaar — naar de mode van die tijd. Maar uit zijn blik spreekt ook iets anders: daadkracht. En die heeft hij in Oud Ade volop aan de dag gelegd.
Görtz publiceert artikelen over de kerkgeschiedenis van Oud Ade, schrijft kerkboeken die in zes drukken verschijnen, en runt zijn pastorie als een studeervertrek. Ledigheid kende hij niet, zeggen zijn tijdgenoten. Maar zijn grootste nalatenschap is de kerk.
De bouw van een nieuw godshuis

Want als Görtz aankomt in 1863, is de bestaande kerk — gebouwd in 1846 — al aardig op weg om een bouwval te worden. Ze is destijds op een koopje gebouwd, voor slechts dertienduizend gulden, en de fundering was van meet af aan de zwakke plek. Ook de pastorie — nog altijd het zeventiende-eeuwse huisje van Van de Plaet — heeft dringend vervanging nodig. Maar Görtz stelt prioriteiten: de kerk gaat voor.
Op 30 maart 1867 vraagt hij toestemming aan de bisschop van Haarlem. Op 1 april — twee dagen later — krijgt hij het groene licht.
Görtz gaat op zoek naar een architect. De befaamde Theodorus Molkenboer, die eerder de kerken van Rijpwetering en Roelofarendsveen ontwierp, is al in 1863 overleden. Uiteindelijk kiest het kerkbestuur voor Herman Jan van den Brink uit Driebergen. Een bijzondere man: van origine wijnkoper, die de architectuur begon als hobby, maar na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie profiteerde van de explosief groeiende vraag naar nieuwe kerken.
Van den Brink ontwerpt een kerk in romaanse stijl: één schip, een priesterkoor, twee sacristieën, een doopkapel en een toren. De toren reikt tot 34 meter hoogte. Er worden 260 palen geheid. De bouw kost in totaal veertigduizend gulden — exclusief glas, vloeren en meubels.
Op maandag 3 juni 1867, ’s middags om drie uur, vindt in café Bakker de aanbesteding plaats. Het werk wordt gegund aan C. Alkemade Jr. uit Noordwijk — dezelfde aannemer die twee jaar eerder ook al het schoolgebouw had neergezet. Hij zet zestien metselaars aan het werk, goed betaald naar de maatstaven van die tijd: een steenhouwer verdiende twee gulden voor tien uur werken, een gewone arbeider zeventig cent.
En dat terwijl de jaren zestig voor de mensen van Oud Ade allesbehalve gemakkelijk waren. Een tyfusepidemie had levens geëist. Een hardnekkige runderpest had de boeren hard getroffen: veel vee moest worden afgemaakt, en een nieuwe veestapel kopen was een kostbare aangelegenheid. En toch — de school was er gekomen, en nu ook de kerk. Waarin een klein dorp groot kan zijn.
Kerst 1868
Zo naderde de kerstnacht van 1868. Pastoor Görtz had bepaald: in die nacht zou de nieuwe kerk voor het eerst in gebruik worden genomen.
Over die avond zijn geen verslagen bewaard gebleven — geen krantenartikelen, geen aantekeningen. We weten niet hoe de kerk versierd was, niet wat er gezongen werd, niet hoe de parochianen binnenkwamen in hun nieuwe godshuis. Maar we kunnen het ons voorstellen.
Een kerstnacht in de polder. IJskoude lucht, sterren boven het weiland. Mensen die te voet of per koets naar de kerk kwamen. En dan: voor het eerst die nieuwe, hoge ruimte. Het schip van vijfentwintig meter lang, de houten gewelfconstructie hoog boven hun hoofden, de vijf gebrandschilderde ramen achter het altaar — geschonken door de kerkmeesters — die het kaarslicht weerkaatsten in kleuren die ze nog nooit hadden gezien. De kerk was tot de laatste plaats bezet. Pastoor Görtz droeg de plechtige nachtmis op. En daarmee begon de geschiedenis van de Sint-Bavokerk.
Op 9 september 1869 werd de kerk gewijd door bisschop Wilmer van Haarlem. Het oude kerkje uit 1846 was inmiddels afgebroken en voor afbraak verkocht.
Zorgen door de eeuwen heen
Een kerk van anderhalve eeuw vertelt ook een verhaal van onderhoud, reparaties en restauraties — steeds opnieuw, steeds met de nodige inspanning van de gemeenschap.
In 1892 worden de muren uitgebikt en gewit. In de jaren twintig van de twintigste eeuw worden grote reparaties verricht aan het dak, en krijgt de kerk eindelijk een verwarming. In 1982 worden het dak, de torenspits en het dak van de pastorie gerestaureerd — voor meer dan anderhalve ton, volledig opgebracht door de parochianen, zonder ook maar één cent subsidie.
In 1990 wordt de Sint-Bavokerk officieel een rijksmonument. Een erkenning die ook verplichtingen met zich meebrengt: in 1988 en 1989 is een grote restauratie van buiten én van binnen. De toren blijkt zo door vocht aangetast dat hele stukken metswerk los zitten; ze worden met kunsthars aan elkaar ‘gelijmd’. De rekening: ruim een half miljoen gulden.
En dan, in 2017, organiseert de gemeenschap een feestweek. Van 24 juni tot 2 juli halen Oud Ade en Rijpwetering samen 135.000 euro op — méér dan verwacht. Samen met 144.000 euro rijkssubsidie kan de kerk opnieuw grondig worden hersteld: voegen, scheuren, ramen, goten. ‘Samen sterk, samen kerk’, klinkt het. En: met deze kerk kan men weer dertig jaar vooruit.
Een onzekere toekomst
Dertig jaar. Het is een hoopvolle uitspraak, maar ook een rekensom die niet altijd klopt.
In juni 2024 komen veel inwoners van Oud Ade en Rijpwetering bijeen in het clubhuis van voetbalvereniging ROAC voor een informatieavond over de toekomst van hun dorpen. Er wordt gesproken over nieuwe riolering, over de hockeyclub die verhuist, over de school die misschien verbouwd wordt. Maar in een hoekje van de zaal staat een kleine, onopvallende tafel. Twee foto’s van de kerken — de Sint-Bavokerk in Oud Ade, de Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk in Rijpwetering. Twee brandende kaarsjes. En een enquêteformulier: welke bestemming moet de kerk krijgen als ze geen godshuis meer is?
Iedereen die langs de tafel loopt, heeft er herinneringen. De meesten zijn realistisch. “De ene week is de ene kerk op zaterdagavond open, de andere op zondag”, zegt een van de bezoekers. “Per dienst zijn er gemiddeld zo’n dertig bezoekers. Daar kun je geen kerk voor openhouden.” Een ander, lid van een koor, verwoordt het scherper: “Vroeger zochten de kerkgangers een koor om te zingen. Nu zoekt het koor kerkgangers.” En een derde: “Het is een mooie ruimte voor wonen. Als het gebouw maar blijft. Ik zou het wel irritant vinden als ik de kerkklokken niet meer hoor luiden.”
Pastoor Jack Glas — de veertiende opvolger van bouwpastoor Görtz — is er ook bij. “We hebben nog niks besloten”, zegt hij, “maar we houden er wel rekening mee dat eerst een van de twee gaat sluiten. Dat doet pijn. Ze zijn gebouwd om geloof te belijden, om samen te komen.” Hij wijst op Hoogmade, enkele kilometers verderop, waar juist een nieuwe kerk opent — gedragen door een gemeenschap die er haar schouders onder heeft gezet. “Stiekem hoop ik dat hier ook het geloof opleeft, zodat we een of beide kerken kunnen behouden.”
Het verhaal van de Sint-Bavokerk is nog niet af. Misschien is dit het moeilijkste hoofdstuk — niet omdat er een epidemie woedt of een veestapel is weggevallen, maar omdat de stilte langzaam groter wordt. Toch klinken er mensen die zeggen: het gebouw moet blijven. De klokken moeten luiden. Het koor blijft zingen. En zo lang dat zo is, leeft er iets voort van wat pastoor Van de Plaet in 1666 begon op een zolder in Oude Ade.